Nieuws


PENSIOENAKKOORD - maandag 19 september 2011


Op 13 september jl. heeft minister Kamp van Sociale Zaken en Werkgelegenheid overleg gehad met de voorzitters van de werkgevers- en werknemersorganisaties. Tijdens dit overleg is overeenstemming bereikt over een aantal wijzigingen in het op 10 juni 2011 gesloten pensioenakkoord. Deze wijzigingen waren door de vakbeweging als aanvullende wensen neergelegd.  Wij geven een kort overzicht van de gebeurtenissen die hieraan voorafgingen.

De aanloop naar het pensioenakkoord

Een nieuwe inrichting van ons oudedagsstelsel is nodig door de toenemende vergrijzing. Door de vergrijzing staan zowel de arbeidsmarkt als de houdbaarheid van de verzorgingsstaat steeds verder onder druk. Anders gezegd: het aantal werkenden dat AOW-premie afdraagt, wordt steeds kleiner en het aantal AOW-ontvangers wordt steeds groter. Op 4 juni 2010 hebben sociale partners, bestaande uit werkgevers en werknemers, onderling afspraken gemaakt over een nieuwe inrichting van het oudedagsstelsel. 
Vervolgens hebben het Kabinet en de sociale partners op 10 juni 2011 een pensioenakkoord gesloten. Dit akkoord bevatte belangrijke afspraken voor de inrichting van het pensioenstelsel. De afspraken zijn door de minister uitgewerkt in een voorontwerp van de "wet Verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW”. Dit voorontwerp is op 21 juni 2011 aan de Tweede Kamer gestuurd. 

Het pensioenakkoord moest nog door de achterban van alle betrokken partijen worden goedgekeurd. Op 16 september 2011 heeft de minister verdere concessies gedaan, waardoor uiteindelijk een meerderheid in de Tweede Kamer instemde met het pensioenakkoord. De werkgevers hadden al eerder ingestemd. Het lot van het pensioenakkoord lag vervolgens nog in handen van de FNV. Hoewel de twee grootste bonden binnen de FNV tegenstemmers zijn, is op de valreep het pensioenakkoord op 19 september toch met een meerderheid van stemmen door het FNV aangenomen. Als dat niet was gebeurd dan zou de „kale afspraak” in het regeerakkoord gelden. Dit zou betekenen dat alleen de AOW-leeftijd in 2020 zou worden verhoogd van 65 naar 66 jaar en dat de aftrekbaarheid van premies voor oudedagsvoorzieningen zou worden beperkt. 

Nu alle betrokkenen hebben ingestemd, heeft de minister aangegeven zo snel mogelijk met de uitvoering te willen beginnen. Hij wil nog deze maand het definitieve wetsvoorstel "wet Verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW” aan de Tweede Kamer aanbieden. In dit definitieve voorstel zullen de concessies en gewijzigde afspraken zijn verwerkt.

De hoofdlijnen van het definitieve pensioenakkoord

Wij zetten de voor pensioen- en levensverzekeraars relevante maatregelen op een rij: 

Ingang
  • De beoogde ingangsdatum van alle aanpassingen op pensioengebied is 1 januari 2013. Als dit niet haalbaar is, dan wordt dit 1 januari 2014.
AOW
  • De AOW- en de pensioenleeftijd worden gekoppeld aan de levensverwachting.
  • De AOW-leeftijd gaat per 1 januari 2020 naar 66 jaar. Naar  verwachting gaat de AOW-leeftijd per 1 januari 2025 naar  67 jaar. De bekendmaking of en per wanneer de AOW-leeftijd  omhoog gaat, vindt tenminste 11 jaar voor die tijd plaats.  Uiterlijk op 31 december 2013 moet dus bekend zijn of de AOW-leeftijd definitief per 1 januari 2025 wordt verhoogd  naar 67 jaar. De berekening van de gemiddelde levensverwachting vindt eenmaal per 5 jaar plaats en leidt alleen tot een verhoging van de AOW-leeftijd als de berekening laat zien dat ten minste verhoging van 1 heel jaar gerechtvaardigd is. De verhoging met 1 jaar is tevens de maximale verhoging.
  • De maximale periode waarover AOW wordt opgebouwd blijft 50 jaar.
  • De AOW kan naar keuze eerder of later worden uitgekeerd, zodat afstemming met de feitelijke ingang van ouderdomspensioen mogelijk is. Eerder of later stoppen met werken is mogelijk. Vanaf 1 januari 2020 betekent ieder jaar vervroeging of uitstel van de AOW-ingangsdatum een 6,5% lagere resp. hogere AOW. De AOW kan niet eerder worden uitgekeerd dan op 65 jaar en niet langer dan 5 jaar worden uitgesteld. Uitstel van AOW leidt niet tot verlenging van sociale zekerheidsuitkeringen.
  • De AOW gaat voor iedereen per 1 januari 2013 tot 1 januari 2028 met 0,6% per jaar boven de loonindex omhoog. Bovendien zal de AOW jaarlijks met de loonindex stijgen (thans prijsindex). De extra stijging en indexering gelden ook bij vervroeging van de AOW-datum.
  • De sociale zekerheidsuitkeringen zullen doorlopen tot de nieuwe AOW-leeftijd. Dit geldt niet bij vervroeging of uitstel van de AOW-leeftijd. Separate wetgeving volgt.
  • Een wetsvoorstel is in voorbereiding om een aantal arbeidsrechtelijke belemmeringen, die bestaan bij doorwerken na de AOW-leeftijd, weg te nemen. Te denken valt aan de verplichtingen van de werkgever bij ziekte van de werknemer, het aantal keren dat een tijdelijk arbeidscontract kan worden aangeboden, etc.

Fiscale facilitering pensioen
  • De fiscale facilitering van pensioenopbouw wordt per 1 januari 2013 afgestemd op een pensioenrichtleeftijd van 66 jaar en per 1 januari 2015 naar 67 jaar. Een verhoging van de pensioenrichtleeftijd vindt steeds 10 jaar plaats voor de verhoging van de AOW-leeftijd.
  • De maximale opbouw van ouderdomspensioen (en het hiervan afgeleide partnerpensioen en wezenpensioen) per dienstjaar blijft ongewijzigd (eindloon 2%, middelloon 2,25%).
  • De uiterste leeftijd waarop ouderdomspensioen moet ingaan, wordt in dezelfde mate verhoogd als de  AOW-leeftijd.
  • Bij de in pensioenregelingen fiscaal minimaal te hanteren AOW-franchise moet per 1 januari 2013 rekening worden gehouden met de (extra) stijging van de AOW.
  • Bestaande aanspraken, die zijn gebaseerd op een lagere pensioenrichtleeftijd, hoeven niet te worden aangepast. De aanpassing betreft dus uitsluitend de toekomstige opbouw vanaf 1 januari 2013.
  • Het 40-deelnemingsjarenpensioen wordt per 1 januari 2020 een 41-deelnemingsjarenpensioen en gaat in op 64-jarige leeftijd. Naar verwachting wordt dit per 1 januari 2025 verder aangepast naar een 42-dienstjarenpensioen ingaande op 65-jarige leeftijd.
Lijfrente
  • Het percentage in de formule voor de berekening van de lijfrenteaftrek (jaarruimte) wordt per 1 januari 2013 verlaagd naar 16,5% (was 17%) en per 1 januari 2015 naar 16%. Voor ieder jaar dat hierna de pensioenrichtleeftijd met 1 jaar wordt verhoogd, wordt het percentage met 0,5% verlaagd. Verder wordt in de formule per 1 januari 2013 rekening gehouden met de (extra) stijging van de AOW.
  • Het dotatiepercentage in de oudedagsreserve wordt per 1 januari 2013 verlaagd naar 11,7% (was 12%) en per 1 januari 2015 naar 11,4%. Voor ieder jaar dat hierna de pensioenrichtleeftijd met 1 jaar wordt verhoogd, wordt het percentage met 0,3% verlaagd.

De wijzigingen

De wijzigingen ten opzichte van het op 10 juni 2011 gepubliceerde pensioenakkoord hebben betrekking op:

De werkbonus 
De werkbonus is bedoeld als stimulans om door te werken. Iedereen die na 1 januari 2013 doorwerkt krijgt vanaf 61-jarige leeftijd een werkbonus. 

Ondanks de verhoging van de AOW-leeftijd naar 66 jaar blijft het mogelijk om op 65-jarige leeftijd te stoppen met werken. Iedereen kan immers zijn AOW naar 65 jaar vervroegen, maar dan wordt de AOW wel 6,5% lager. Voor mensen met een lager inkomen kan dit een probleem zijn. 

Het is echter mogelijk om de werkbonus, die van 61 tot 65 jaar uitbetaald wordt, op te sparen. Als mensen met een lager inkomen dit doen en op 65 jaar als (aanvullend) inkomen gebruiken, hoeft de AOW niet met een heel jaar te worden vervroegd. De AOW wordt in dat geval minder verlaagd, waardoor ook zij op 65-jarige leeftijd kunnen stoppen met werken. 

De levensloopregeling 
De levensloopregeling (en ook de spaarloonregeling) wordt per 1 januari 2012 afgeschaft. Volgens een overgangsregeling worden tot en met 31 december 2011 opgebouwde rechten in de levensloopregeling geëerbiedigd. Daarnaast blijft de levensloopregeling openstaan voor personen die op 31 december 2011 tenminste € 3.000 op hun levenslooprekening hebben staan. Levensloopverlofkorting wordt echter vanaf 1 januari 2012 niet verder meer opgebouwd. Tot nu toe opgebouwde levensloopverlofkorting blijft intact en wordt bij een toegestane opname toegepast. Deelnemers met minder dan € 3.000 levenslooptegoed kunnen in 2012 het tegoed (belast) opnemen of fiscaal geruisloos doorstorten naar vitaliteitssparen.

Het vitaliteitssparen 

Dit is een nieuwe spaarregeling in de inkomstenbelasting en dient als vrij opneembare aanvulling op het inkomen. Met de vitaliteitsregeling kunnen werknemers en zelfstandig ondernemers per 
1 januari 2013 fiscaal voordelig sparen: de stortingen zijn fiscaal aftrekbaar in box 1 en er wordt pas belasting geheven bij opname van het tegoed. Het spaartegoed is vrijgesteld in box 3. Het maximum totale spaarbedrag is € 20.000 vermeerderd met rendement en er geldt een maximale jaarlijkse inleg van € 5.000. Het tegoed mag jaarlijks ineens worden opgenomen en (rekening houdend met de maximale inleg) weer worden aangevuld. Per 1 januari van het jaar waarin de deelnemer 62 jaar oud is, mag echter maar maximaal € 10.000 per jaar worden opgenomen. Het tegoed is dus te gebruiken om (gedeeltelijk) eerder te stoppen met werken. Het tegoed moet vóór de AOW-gerechtigde leeftijd zijn opgenomen.

Reacties:

Er zijn nog geen reacties op dit bericht geplaatst.

Reageren:

Spam-beveiliging


Terug naar de vorige pagina >